Verlaten Karpaten in het verre oosten van Europa. Op expeditie naar de hoogste top van Oekraine.

Om 9.17h zitten we met Frans in de trein naar Utrecht. Bas past op het perron in Utrecht even op onze drie rugzakken terwijl Frans en ik bij het taxiplatform Steven en enkele dozen met voedsel ophalen. We zijn zo snel dat we een eerdere trein kunnen nemen en dus meer dan een uur voordat de internationale trein naar Polen vertrekt aanwezig zijn in Amersfoort.
Langzamerhand druppelen de andere groepsgenoten binnen. In de trein treffen we degenen die in Amsterdam zijn ingestapt.
Deze trein brengt ons via Hengelo en Berlijn naar Szczecin. Ik loop met een paar mensen Szczecin in. Marieke pint voor ons samen Pools geld en we kopen daarvan gelijk wat sap en bier voor in de nachttrein. In het slaaprijtuig van de trein hebben we drie coupés minus één plek (die bezet wordt door een Poolse) ter beschikking.
’S Ochtends halen we lekkere thee en (oplos)koffie bij de conducteur. Hij heeft kant en klare pakketjes met bekertje, lepeltje, suiker, citroensap en theezakje. Dus er wordt heel wat suiker weggegooid omdat bijna niemand uit ons gezelschap suiker wil. Bas en ik eten lekker verder van ons noten-rozijnenbrood en onze zelfgebakken pizza. Rond twaalf uur bereiken we Przemysl, een plaats vlakbij de Pools-Oekraïense grens.
Om de grens zelf te bereiken maken we gebruik van een van de taxibusjes die dit ritje continu op en neer rijden. Zo’n busje heeft ruim 20 zitplaatsen en vertrekt als hij vol is, dat betekent ongeveer iedere tien minuten. Omdat de chauffeur voor zijn ritje wel het maximale bedrag wil innen maakt hij ons met gebaren (en voor ons onbegrijpelijk Pools) duidelijk dat we allemaal onze giga-rugzakken op schoot moeten nemen (afgezien van de drie exemplaren die in het bagagevak pasten). Het busje levert ons na een half uurtje af bij het “grensdorp” bestaande uit een rij met een twintigtal keten waar je geld kunt wisselen of wat kunt eten of drinken, een vreemde omgeving.
We lopen via een voetgangerspad naar de EU paspoortcontrole. Daar zijn we direct aan de beurt en kunnen we snel doorlopen. Na dit gebouwtje belanden we in het niemandsland voor de Oekraïense paspoortcontrole, een pad tussen twee hoge hekken met honderd meter verderop een gebouwtje. Daarvoor staat een flinke rij mensen opgedeeld in een paar groepen. Een soldaat loopt op en neer en deelt formuliertjes uit die de nieuw-aangekomenen moeten invullen. Daarna laat hij ons gewoon in de rij staan. Af en toe komen er meer mensen aanwandelen. Sommigen sluiten achteraan, enkelen passeren ons en kunnen blijkbaar een voorrangsbehandeling krijgen bij de controle. We nemen aan dat het Oekraïners zijn. We staan ongeveer een uur in de rij waarbij we wel een paar meter opschuiven, maar meer omdat de rij indikt dan omdat er mensen doorgelaten worden. We krijgen ondertussen een bui op ons kop en worden erg benieuwd hoe lang dit nog gaat duren en waarom er niets lijkt te gebeuren. De soldaat loopt weer eens langs en vraagt waar we vandaan komen en hoe groot de groep is. Hij besluit daarop ons via de tweede deur toegang te geven tot het (primitieve) grensgebouwtje. Hier worden snel al onze paspoorten ingenomen ter stempeling en onze ingevulde formuliertjes doormidden gescheurd: de tweede helft moeten we goed bewaren en bij uitreis tonen. Er wordt duidelijk niet gestuurd op het snel afhandelen van deze douanecontrole; alleen al de lay-out van het gebouwtje leent zich niet voor een snelle doorstroming. We weten nog steeds niet wat er bij de andere toegangsdeur gebeurt, maar we kunnen wel zien dat daar flink geduwd wordt en dat die mensen veel langer moeten wachten dan wij.
Eindelijk ontsnapt aan deze bijzondere ervaring komen we in een vergelijkbare omgeving als aan de Poolse kant: zij-aan-zij ‘KONTOR’ om geld te wisselen met vrouwen achter een raampje. Aan het einde van deze rij staat een prachtige ouderwetse rode bus met gordijntjes en chauffeur voor ons klaar. Nadat we geld hadden gewisseld beginnen we aan de lange busreis. Al snel valt de slechte kwaliteit van de wegen op. Afgezien van enkele recent aangelegde doorgaande wegen waar we een paar stukken van mee kunnen pikken hebben ze allemaal in meer of mindere mate te kampen met gaten in het wegdek. Veelal kan de chauffeur ze ontwijken door op het midden van de weg te blijven rijden of door om de gaten heen te sturen; maar hoe verder we komen des te vaker is het een kwestie van afremmen en rustig door het gat rijden en daarna weer optrekken.
Na zo’n vier uur zien we, op een van de weinige verkeersborden die we tegenkwamen, een bordje “Osmoloda 45 km”. Hierdoor begin ik te denken dat Osmoloda toch iets groter zou zijn dan het gat waar ik op gerekend had, maar dat blijkt uiteindelijk toch niet zo te zijn. Blijkbaar staat het op zo’n bordje omdat het het eind van het dal is en daarom toch belangrijk als richtingsbaken. Omdat het bij één routebordje blijft vraagt de chauffeur toch af en toe de weg aan een voorbijganger. De weg wordt steeds moeilijker begaanbaar en over die laatste 45 km doen we zeker anderhalf uur. Rond half tien ’s avonds komen we eindelijk in Osmoloda aan.
Vanuit de bus valt er trouwens al van alles te zien over de cultuur in (deze streek van) Oekraïne.
• Bijna alle auto’s die er rond rijden zijn oud (en vies wat betreft uitlaatgassen).
• Fietsen zijn ook een gangbaar vervoermiddel.
• Veel dorpelingen hebben één of twee koeien (met hoorns!). We zagen hier en daar een man of vrouw een koe aan een touw ‘uitlaten’ in een wei, maar vaker zagen we ze gewoon vrij rondlopen. Rond acht uur worden ze naar huis gebracht en lopen er kleine groepjes koeien op de weg (waardoor de bus soms ook werd opgehouden).
• Het hooi wordt op het land gedroogd op rekken of staken. We zien twee vormen: (1) een top van een spar, met zijtakken afgebroken tot korte stompjes, die in de grond is gestoken. Rond de stok is een conus van hooi opgeworpen; (2) één of twee driehoekige rekken die tegen een stok of tegen elkaar leunen en waartegen dan een hooipyramide of hooi driehoek wordt gebouwd. • Dorpen bestaan uit losstaande huizen met een lap of lapje grond eromheen waarop we veel moestuinen zien vol met onder andere bloeiende aardappelen, dille en kool.
• Er zijn veel bouwactiviteiten, waarschijnlijk veel daarvan zelfbouw waardoor het langere termijn projecten zijn.
• De begraafplaatsen knallen eruit, alle graven zijn versierd met plastic bloemen in onnatuurlijk paars, oranje, roze etc.
• Er zijn heel veel kerken, zelfs de kleinste dorpjes hebben er vaak twee. Ze glimmen je tegemoet met hun metalen beplating en zilveren, gouden of zelfs blauwmetallic torentjes.
• Tuinhekken zijn vaak gegoten betonnen schermen met gedraaide spijltjes en rasters en andere versieringen, dus verfijnd voor zover dat in beton gaat.
• Oekraïners zijn niet bang om hun huizen kleurrijk te schilderen. Zowel hout als stucwerk kan helderblauw, KPN-groen, helderpaars of knalroze zijn. Maar daartussen staan ook veel neutralere huizen in naturel hout of pastelkleurig stucwerk.
We worden bij aankomst in pension Arnika zeer hartelijk welkom geheten door het hele gezin en ze zetten snel een maaltijd voor ons in elkaar van borstj en blini: heerlijk, zeker na zo’n reis. Daarna geeft onze gastheer vast een indruk van het gebied door een verzameling foto’s te tonen. In gebrekkig Pools/Engels krijgen we aanvullende informatie over wandeltijden, bronnen en kampeermogelijkheden, erg handig. Rond half twaalf duikt iedereen zijn bed in.
Half negen ontbijt. Ik ben al twintig minuten daarvoor aangekleed en loop nog even de weg af met links en rechts hooirekken, een typisch Oekraïens driehoekig bushokje en een roestig vehikel. Het ontbijt wordt in de tuin geserveerd aan een lange picknicktafel. We krijgen nu de avondmaaltijd die ze ons (misverstand) de komende avond had willen serveren: brood, salade en aardappels met kip, vis of kaas, natuurlijk gegarneerd met dille.
Na het ontbijt komt de puzzel van het eerlijk verdelen van de gezamenlijke spullen: gedroogde maaltijden, hartkeks, branders, pannen en nog zo wat. Alle tentdragers krijgen ongeveer 4,5 kg gezamenlijk gewicht, de anderen nog 3 kg meer. Rond elf uur heeft iedereen zijn rugzak gepakt en kunnen we op weg. Het pension is trouwens ook nog onder reconstructie: de oude gevels zijn wel voorzien van buitenisolatie maar dat is nog niet weggewerkt achter een laag hout. Direct naast het huis passeren we een brug met voetgangers-nevenbrug. Die constructie zien we later ook in andere dorpen, hoewel de nevenbrug daar niet altijd meer in gebruik is. Het komt vreemd over omdat de hoeveelheid verkeer erg beperkt is. We gaan het dal in over een brede bosweg. We komen gelijk markeringen van de wandelroutes tegen, ze zien er heel vers uit. De bermen zijn bloemrijk met onder andere: een elegant klokje (weideklokje), gele composieten (schaduwkruiskruid en waarschijnlijk Buphthalmum speciosum), bijenkorfje, moerrasspirea, geitenbaard en knoopkruid.
Na een paar km bosweg inclusief een pauze gaan we steil de helling op door een vochtig bos vol zegges (veel boszegge) , mossen en varens. Na de klim van een paar honderd meter nuttigen we onze eerste gezamenlijke lunch. Iedereen heeft z’n eigen hartkeks maar het beleg gaat van hand tot hand. Omdat nog niet zo duidelijk is welk beleg voorhanden is gaat dat nog niet zo soepel, maar de pindakaas en Fred&Ed chocopasta (in tube) zijn in ieder geval populair. Na de lunch volgen we een pad dat licht stijgend langs de berghelling loopt. Het is smaller dan de eerdere paden en dus lopen we in ganzenpas en bepaalt de voorste van een subgroep het wandeltempo. Hier en daar is er een (stenige) open plek in het bos. De flora verandert en in de berm verschijnen de witgroene toortsen van de veratrum. Ergens langs het pad heeft een vleeseter een smikkelplekje ingericht: naast elkaar liggen een versdode egel waar de ingewanden uitbengelen, een oud vogelkarkas en nog wat losse botten. We hebben een rustpauze op een van de stenige plekjes langs de helling, daarna banjeren we door tot het bos plotseling overgaat in een open vlakte vol met de grove bladeren van de alpenzuring (Rumex Alpinus): onze kampeerplaats. Iets hoger op de helling liggen twee vuurplaatsen met zitstammen eromheen en een enorme vuilnisberg met blikjes, flessen en flesjes. In dit hoekje bloeit ook de mooie roze-gele netel Galeopsis speciosa. Later op de avond bouwen we hier een kampvuurtje met veel sparrentakjes die spectaculair opvlammen door de naalden die er nog aanzitten. ’s Ochtends kom ik er wel achter dat een paar weggewaaide gloeiende naalden plekjes aan de buitenkant van onze (nieuwe) fleecevesten hebben weggesmolten: jammer. ’s Nachts, als ik er even uit moet, zie ik een sterrenhemel die mooier is dan wat ik in jaren heb gezien. Er zijn zoveel sterren dat ik de gangbare sterrenbeelden nauwelijks meer kan terugvinden.
Ik ben om half zeven op. Aart en Yvonne zijn al bezig zijn met het ontbijt. Zij hebben aangeboden om iedere dag het ontbijt te maken voordat iedereen opstaat. Om zeven uur maak ik iedereen wakker. Als om vijf over zeven nog niemand bij het ontbijt is jaagt Aart iedereen nog even met wat luide kreten op. Hierover wordt door een enkeling (zoals Bas) wat gemopperd. Volgende dagen gaat dat wat soepeler omdat de verwachtingen wat zijn bijgesteld. Rond kwart over zeven zit/staat iedereen te genieten van de havermoutpap met pinda’s, rozijnen en/of hagelslag.
Na het inpakken loopt iedereen langs het ‘pleasure resort’ (aldus de
richtingaanwijzer), bestaande uit een overdekte vuurplaats met vuilnisberg, naar de bron/beek waar we ons kookwater vandaan hebben gehaald en nu ook onze waterflessen voor onderweg vullen. Sommigen vertrouwen de waterkwaliteit niet en gooien er een paar druppels Hadex (ontsmettingmiddel) in waarmee het naar zwembad gaat smaken.
We lopen eerst een paar km licht stijgend door het vochtige bos. Langs het pad veel uitgebloeid (wit) hoefblad en varens en wolfsklauwtapijten. Hier en daar een gele dovenetel en aan blad en vruchten te zien staan hier in het voorjaar veel sleutelbloemen. Bij de pas gaan we over op het klimmen naar en volgen van de kam. Het terrein wordt al snel opener en staat vol met bosbesstruikjes en hengel. Vanaf de eerste top langs de kam volgen we een pad dat grote stukken tussen kruipdennen doorloopt, deels zacht verend over dennennaaldenhumus, deels klauterend over alle wortels en stammetjes dwars over het pad. Andere stukken zijn stenig en kleurrijk door geelgroene en dieporanje korstmossen. Hier en daar passeren we een weitje met dieppaarse rapunzels en stralendgele ganzerikjes. Het waait trouwens hard en ik vervang de korte broek weer door een lange broek en trek na de lunch mijn jack aan. Gelukkig vinden we een prachtig beschut lunchplekje in een “loopgraaf” die over zo’n twintig meter langs de helling loopt gemaakt uit de losse stenen waar deze bergtoppen uit bestaan. Tussen de stenen groeit weinig, behalve veel plukjes wolfsklauw.
Na enkele topjes bedwongen te hebben dalen we 400 meter af. Eerst tussen het kruipdennen-struweel door en daarna door halfopen bos tot we uitkomen op een grote grazige vallei. We zijn trouwens al diverse mensen tegengekomen en zien een groepje dat hier vannacht gaat bivakkeren en in de verte een smeulend houtvuurtje. We lopen over de eerste grasvlakte naar een tweede stuk en besluiten daar onze tenten neer te zetten ook al is het nogal onbeschut. Het is ondertussen prachtig weer geworden en mensen gaan lekkeren een beetje badderen, een SMSje versturen vanaf een heuveltop, een kopje soep drinken etc. Ons water halen we deze keer uit een van de bronnen die vlakbij in het veld ontspringen. Naast ons tentenveld loopt een stroompje met daarachter een stukje hoogveen: het ligt hoger dan onze droge wei, maar de witte wollegraskwastjes verraden de natheid. Het mos wordt uitgetrokken en te drogen gelegd als aanmaakmateriaal voor een vuurtje.
’s Nachts onweert het fors en vallen er een paar stevige regenbuien waardoor ik (en sommige anderen) enige tijd uit hun slaap worden gehouden. Als we opstaan is het min of meer droog maar hangen de wolken om ons heen. Onze reisbegeleiders concluderen dat het met deze nattigheid en risico op onweer niet verantwoord is om de kam verder te vervolgen en komen met een alternatief dat ons naar een dorpje beneden brengt. Aan het eind van het ontbijt begint het weer te regenen en duikt iedereen z’n tent in om in te pakken.
In vol regenornaat lopen we in een lange sliert eerst een beetje omhoog naar het uitzichtspunt zonder uitzicht en daarna over een bospad langzaam dalend naar beneden. We passeren een paar waterbronnen in de vorm van waterbakken waar we met dit weer weinig behoefte aan hebben. Na een stuk weiland met koeien en herder zijn we de markeringen kwijt. Er gaat wel een karrenspoor het bos in, maar dat loopt niet op de plek van de gemarkeerde route op de kaart. Na een paar pogingen om ‘de rode route’ te vinden nemen we toch maar het karrenspoor, trouwens al lang niet meer gebruikt door een kar. Na enkele tientallen meters wordt het een paadje langs een modder-stroompje dat een flinke geul in de bodem uitslijt. Het is duidelijk niet de eerste keer dat hier veel water naar beneden stroomt. Ons paadje komt uit op een groter karrenspoor waar ook flink wat water in staat. Dit karrenspoor volgend komen we de ene na de andere waterhindernis tegen. Gelukkig is de grote plensbui opgehouden, en regent het nog maar af en toe een beetje. De eerste keer dat we de beek tegenkomen en het karrenspoor er dwars doorheen loopt vermijden we via een klein paadje bovenlangs een doorwading. De tweede keer is de keus via twee boomstammen eroverheen of op een ondiepe plaats erdoorheen. De groep doet het ongeveer 50-50. Daarna volgen nog enkele oversteken en kruipdoor-sluipdoorpaadjes langs de beek totdat iedereen minstens gedeeltelijk natte sokken heeft, hetzij door de regen, hetzij door water scheppen bij een doorwading.
Langs het karrenspoor lopen we meestal over een dijkje want het karrenspoor zelf staat vol met grote plassen. Die staan er trouwens al langer dan vandaag want ze zijn bevolkt door kikkers en kikkervisjes. Als we langslopen springen of zwemmen de kikkers naar het midden van de plas en zie je alleen twee oogjes boven de modderpoel uitsteken. Als we het bos (tijdelijk) verlaten komen we uit bij wat hooiland, een graafmachine en een paar onderkomentjes waarvan één een oude treinwagon is uit de tijd dat ze hier nog smalspoor hadden om boomstammen af te voeren. We lunchen hier, met nog een paar spatjes regen, gezeten op bankje en stoelen gemaakt van boomstammetjes en een plank. Na de lunch lopen we de onverharde weg af naar het dorp Bistritsja. Het bos wordt steeds meer vervangen door hooiland en huisjes. In het land staan de karakteristieke hooirekken en -palen zoals eerder beschreven. We zien hoe het gras met de zeis wordt gemaaid.
In het ‘centrum’ van het uitgespreide dorp staat prominent het elektriciteitsverdeelpunt waarvandaan een heleboel kabels weglopen. Vlakbij staan ook de twee kerken van het dorp (katholiek en orthodox). Aan de overkant van de straat is het hotel annex café. De eigenaar knoopt graag een gesprek met ons aan en probeert ons te vertellen over de route die we krijgen of juist al hebben gehad; Hugo en Steven begrijpen er niet veel van dus de rest al helemaal niet. Frans en Steven gaan op zoek naar een kampeerveld bij een pension of huis waar we ook kunnen douchen. De rest van de groep zijgt neer en haalt wat te drinken of te eten in de bar (een apart gebouwtje naast het hotel) en probeert op een of andere manier drogere sokken, schoenen en voeten te krijgen.
Frans en Steven vonden een mooi bloemenweitje bij een huis dat gerestaureerd wordt. Toilet en douche kunnen we aan de overkant in het souterrain van een pension benutten. Voordat we daarheen lopen regelen Steven en Hugo met hun basiskennis van Pools en Russisch en handen en voeten een avondmaaltijd in het hotel. We nestelen ons op de kampeerplaats en proberen allemaal te douchen voor het avondeten om half acht, dat lukt op drie personen na.
Er is voor ons een lange tafel gedekt in de bar. We starten met brood met kaas of diverse soorten vlees. Daarbij proeven we vast van de wijn. Zoals Hugo al vreesde is dat een hele zoete limonadeachtige wijn maar wel met 16% alcohol. De tweede gang is borstsj voor de vleeseters en vermicelli-paddenstoelensoep voor de anderen. Daarna volgt een bord met gebakken aardappelen, biet, koolsalade en vleesburger dan wel gebakken ei. Het toetje was gebak in de vorm van opgerolde cake met mokkacrème. Alles werd trouwens in sneltreinvaart geserveerd en je wordt geacht je bestek tussen de gangen door te bewaren.
Toen we de bar verlieten werd net een van de mannen die daar had zitten drinken en armpje drukken door een vrouw (zijn vrouw waarschijnlijk) aan z’n arm naar buiten gesleurd, verrot gescholden en lichamelijk bedreigd. Ze worden door een andere man uit elkaar gehaald. Ze bevestigen hiermee natuurlijk de mij bekende verhalen waarin mannen het geld verzuipen waarna de vrouwen ze uit het café moeten vissen. ’s Middags waren we trouwens al bij het verlaten van het hotel aangesproken en toegezongen door een dronken oude vrouw.
Terug op de camping begint het flink te regenen. Onder het afdakje van het huis kunnen we net allemaal droog staan en overleggen over de volgende dag: rustdag of korte wandeldag. De beslissing is: uitslapen tot tien uur en dan beslissen.
Onder het genot van brood met kaas en worst, ‘fruit’yoghurtjes en vruchtennectar, allemaal net uit de winkel gehaald, besluiten we ’s middags te gaan lopen. We kopen nog wat flessen mineraalwater (met bubbeltjes want plat water hebben ze niet) als drinkwater en lopen dan terug richting hotel en gaan daar het andere zijdal in dan waaruit we zijn gekomen. We worden hierbij begeleid door onze trouwe zwarte ‘huishond’ die zich gisterenmiddag op het kampeerveld aan onze groep heeft toegevoegd. Onderweg pikt hij een vriendje op en samen rennen ze met ons mee. We zijn hier niet gelukkig mee en proberen ze diverse keren terug te sturen, maar zonder succes. Pas de volgende ochtend raken we ze kwijt.
We volgen enkele km een landweg tussen de boerderijtjes en hooilanden door. De onderkomens variëren van klein en verveloos en verlaten tot nieuw en twee verdiepingen hoog. Direct na de lunchpauze barst een bui los. Steven ontdekt gelukkig dat we in het nabijgelegen verlaten huis kunnen schuilen door via het raam naar binnen te klimmen. We wachten daar heerlijk droog een kwartiertje tot de bui is overgedreven. De wanden en plafonds zijn voorzien van leemstuc op de houten constructie en aan de muur hangen nog een paar Maria-plaatjes. Hierna nog een stukje door de bloemrijke hooilanden met onder andere: margrieten, knoopkruid, witte en rode klaver, Zeeuws knoopje, kluwenklokje, tijm, hertshooi, bevertjes, timoteegras, bijenkorfje (klein), een lichtpaarse rapunzel, ratelaar en rolklaver.
Daarna duiken we het bos in en glibberstappen de helling op. Bovenaan gekomen wordt het weer open met een paar paarden, koeien en hooiland. Langs de rand van het pad schitteren hier en daar rode puntjes: bosaardbeitjes. Ik loop achteraan en word opgehouden door het plukken ervan. De rest van de groep heeft wat verderop de aardbeitjes ook in de gaten en ik tref ze rustend, plukkend en op zoek naar water en een plat plekje. Ondertussen loop ik even een paadje in door een hooiland dat minstens zo bloemrijk is als wat ik eerder beschreef. Ik zie orchideeën (muggenorchis en keverorchis) en op de natste plekjes staan prachtige zegges. Enkele verkenners ontdekken een prachtig plat plekje aan de bosrand iets verderop en we nestelen ons daar. Onderweg passeren we nog prachtig bloeiende veldgentianen en arnica.
Een dreigende wolkenlucht komt steeds dichterbij en rond half zes barst de bui echt los. Deze duurt wel een stuk langer dan die van de lunch en Bas gaat als eerste de held uithangen, trekt zijn poncho aan en begint met eten koken. Hij wordt daarbij geholpen door Frans en Steven. Ze leveren eersteklas service: maaltijd op de kamer en aan het eind als toetje een prachtige regenboog waarvoor bijna iedereen zijn tent uitkruipt. Ook verder is het uitzicht prachtig met wolkflarden tussen het groen en prachtig avondlicht. Een groepje geniet daar nog extra van door een avondommetje over de tegenovergelegen heuvel. Water halen doen we trouwens bij een hut een stukje verderop waar een gepensioneerde Russisch-orthodoxe priester met dochter en vriendin een paar dagen vakantie houden. Omdat de vriendin lerares Engels was en de priester wat Duits sprak is het eindelijk een keer makkelijk om te communiceren.
De eerder genoemde honden vermaken zich de hele avond door met iedereen mee te gaan die de kampplaats verlaat of dat nou is voor het avondommetje of voor een sanitaire actie in het bos. Maar als iedereen in zijn tent is gekropen vinden ze het niet leuk meer en wordt er heftig geblaft. De kleine hond druipt in de loop van de nacht af, maar de zwarte blijft regelmatig blaffen.
We willen de hond absoluut niet langer op sleeptouw hebben en twee mensen gaan hem afleveren bij de priester inclusief twee pakbanden als riem. Dat lukt en de hond wordt in de schuur opgesloten, vastgebonden met de riem. Ondertussen pakt iedereen in. Maar natuurlijk, als we op het punt staan om weg te lopen staat de zwarte hond weer vrolijk kwispelend (zonder halsband) voor ons. We besluiten hem nu met stokken te verjagen. Frans en Aart klaren deze klus terwijl wij vast op pad gaan zodat het voor de hond echt duidelijk is dat hij uit de roedel verdreven wordt. We duiken het vochtige bos in. De zonnige zonsopgang gaat na twintig minuten over in een buitje, een goed moment om even te wachten op Frans en Aart. Die komen gelukkig redelijk snel achter ons aan en rapporteren dat ze de hond teruggejaagd hebben tot voorbij het aardbeienveldje. We pikken de kam op en stijgen en dalen door het bos. Het buitje duurt niet zo lang, maar daarna druipt het bos enige tijd. Hiervoor is een poncho toch wel erg handig omdat je die snel aan en uit kan doen (uit=over rugzak laten hangen) zodat je makkelijk even kunt afwachten of er nog een buitje komt.
Na een stuk kam daalt het pad naar een modderig meertje en daarna omhoog naar een weiland. Bij het meertje bloeien de oeverdistels prachtig. In het weiland staat een hutje waar we snel op af lopen omdat we willen lunchen en er net weer een buitje valt. Gelukkig houdt het gespetter snel weer op want het dak van de hut is nog maar half aanwezig en staat scheef op de muren. Dus kunnen we weer naar buiten en in het zonnetje zitten.
Vanaf het lunchveld is het wat lastig om het begin van het pad omhoog te vinden, maar als we dat eenmaal hebben is het weer makkelijk te volgen over een kam. Na bos belanden we in kruipdengebied en klimmen we tussen deze ongeveer menshoge dennen en jeneverbesstruikjes naar een pas. Deze pas is deel van de bergketen die vanaf 1923 de grens tussen Tsjecho-Slowakije en Polen was. De meeste grenspalen (om de honderd of tweehonderd meter) staan er nog.
Na een korte pauze met uitzicht over de bergreeksen aan beide kanten van de pas gaan we op zoek naar het paadje dat ons aan de andere kant naar beneden kan brengen naar een geschikt kampeerplekje. Het staat hier bovenop vol met jeneverbesstruweel en je kunt er wel hier en daar tussendoor waden, maar van een afstandje kun je niet zien waar. We gaan daarom maar dwars over de struiken doorsteken naar de grashelling verderop. Dat is best lastig omdat je niet goed kunt zien waar je je voeten neerzet en onder de groene takken gaan verende stammetjes in allerlei richtingen schuil. Gelukkig bereiken we na zo’n 100 meter het gras en kunnen daarover verder zakken langs de helling. De helling loopt zwaar omdat hij vol staat met pollen waardoor je enkels steeds heen en weer zwikken. Ik ben blij als we onze eindbestemming 250 meter onder de pas hebben bereikt, een prachtig kampeerplekje in de luwte van een bosrand aan de rand van een grashelling bespikkeld met polletjes viooltjes, hier en daar een plukje oranje havikskruid en wat paarse schorseneren. Water halen we bij de beek zo’n 300 meter verderop. We zijn lekker vroeg klaar met eten klaarmaken en om 18h lepelt iedereen de Globiyakki naar binnen. Jeroen voelt zich niet lekker en gaat direct naar bed, maar ook de anderen houden de avond kort. Om half negen ligt iedereen erin.
’s Ochtends worden we gewekt door de zon. Boven ons is de hemel blauw met een enkel wolkje. Jeroen voelt zich (met Paracetamol en sterk verlichtte rugzak) goed genoeg om op pad te gaan. Om 9 uur starten we met de klim terug naar de grens-kam. Gelukkig vinden vanaf deze kant wel het paadje tussen de jeneverbesstruiken door. Op de helling passeren we prachtige exemplaren van de Arnica.
We volgen de kam, te beginnen met een afwisseling tussen jeneverbesstruweel, open stukjes (met mooie biezen) en hier en daar wat kruipdennen. Na de eerste kilometer begint het “takkenpad”, een worsteling met het kruipdennenstruweel. In tegenstelling met eerdere paden door dit type terrein is het pad hier niet recent gesnoeid. Om hier doorheen te komen vergde meer dan het ene been voor het andere zetten: verende stammetjes opzij duwen om je er tussendoor te wurmen, op verende stammetjes stappen of juist eroverheen, voorover bukken als je dichter bij de grond er makkelijker tussendoor komt, je ogen op alle niveaus gebruiken omdat je anders struikelt of er een tak in je gezicht zwiept of een afgebroken tak in je scheenbeen prikt, etc. Meestal steken onze hoofden nauwelijks boven de dennen uit; af en toe kan je een beetje vooruit kijken en zie je aan de wuivende dennentakken waar je voorgangers zijn en hoe het pad verder kronkelt. De dennen richten ook hier en daar wat schade aan: Hugo’s matje wordt flink mishandeld en Steven raakt zijn pet en slippers kwijt. Een verloren handdoek wordt gelukkig door een groepsgenoot opgeraapt.
We worstelen ongeveer vijf km door dit zeer vermoeiende terrein en doen daar ruim drie uur over en zijn erg blij als we de hoogste top op mogen via een paadje over de begraste kant van die bergtop. Hier lunchen we, het is dan al twee uur. We weten niet wat ons tijdens de afdaling naar Tsjorna Tisa nog te wachten staat, dus ben ik erg blij als ik kort na de lunch koeiensporen tegenkom want koeien kunnen echt niet over zo’n paadje als wij hebben gelopen. Het afdalen (1200 meter) gaat erg voorspoedig: ons wandelpaadje gaat snel over in een karrenspoor dat we enkele km kunnen volgen. Onderweg passeren we een zomerdorpje met deels vervallen schuren. Een paar bewoners wijzen ons de weg.
Als we weer het bos inlopen volgen we de bomen-sleeproute naar beneden, te herkennen aan de sleepsporen en hier en daar een versterking van het pad met boomstammetjes. Als we beneden het bos verlaten hebben we een idyllisch uitzicht op hooilanden met gevulde hooirekken en daartussen een paar boerderijtjes in een licht glooiend landschap. Het is ondertussen al half zes, dus we zijn blij dat de bebouwing in zicht is. De dorpen zijn hier echter erg uitgebreid dus pas na een half uur komen we bij een winkeltje en nog een half uur later bij een dranklokaaltje met groentenstal ertegenover. We drinken daar wat en informeren naar kampeermogelijkheid of pension. De dame achter de toonbank is niet echt hulpvaardig. Het enige dat ze vertelt is dat er in Jasinja, het dorp vier-zes km verderop drie herbergen zijn. Gezien het tijdstip, ons moreel en onze conditie proberen we een lift te krijgen. De paar vrachtwagens met lege bak die langs komen gaan de verkeerde kant op. Ook de paard en wagens gaan niet verder dan dit café of een andere richting. Wat wel werkt is dat we een man in een Lada aanhouden die gelijk zegt: “Ik ga wel even mijn grote auto halen” en wegscheurt. Tien minuten later komt hij aanscheuren met een jeepachtig voertuig waar vier á vijf mensen in meekunnen. In drie ritjes brengt hij ons naar Jasinja. Onze chauffeur verdient daar 210 hryvnia (uitgesproken als “grivna”) mee (€30), zo’n honderd biertjes /drie lokale daglonen. Steven voelt zich er later wat schuldig over dat hij niet heeft afgedongen, maar de groep heeft er geen moeite mee en is blij dat we een slaapplaats hebben bereikt.
We kunnen voor omgerekend €5 p.p.p.n. in de grote herberg Edelweiss overnachten in twee/drie persoonskamers met toilet en douche op de gang. Jammer dat er veel dingen een beetje kapot en de WC’s vreselijk zijn. Hugo en Steven hebben intussen eten geregeld: er is nog maar één gelegenheid die op dit tijdstip voor 13 personen eten kan serveren. Na een bakje sla en bouillon met vermicelli krijgen we deegflapjes met kaasvulling en gesmolten boter. Het smaakt niet geweldig en sommigen vinden het zelfs zo vies dat ze het niet helemaal opeten. Om half twaalf liggen we in bed, heerlijk bijkomen.
Ik ben om kwart over acht wakker en ga een boeketje plukken voor Yvonne die vandaag jarig is. Eerst loop ik de hoofdstraat door, maar daar is niets te vinden. Via een hangbrug steek ik de Tisa over. Na een stukje bloemloze oever vind ik vlakbij de volgende brug een overgeschoten hoekje met voldoende kleurrijks en geurrijks zoals walstro en munt en zelfs een prachtige zwarte toorts met paarse meeldraden. Daarna samen met Steven boodschappen doen voor het ontbijt, onder andere kersen van een groentestalletje en lekker donker brood met kummel.
We richten een gezellige ontbijtplek in in het ‘theehuisje’ dat tussen de herberg en de Tisa staat. Met de ballonnen en het cadeautje (‘zilveren’ lichtgewicht bestek) dat Steven had meegenomen uit Nederland en “lang zal ze leven” zingen lukte het om een beetje verjaarssfeer te creëren. Dit huisje wordt ook de vaste hangplek waar mensen heen terugkeren na hun activiteiten zoals boodschappen, kleren wassen, zwemmen in de Tisa, middagwandeling etc. Op het recreatieveldje aan de overkant zien we het typische verschijnsel dat de onderste twee meter van bomen en betonnen palen wit zijn geschilderd. Er zijn (op internet) verschillende theorieën over het waarom: insectenwering, zonnebrandmiddel, zichtbaarheid van de stammen/palen in het donker. Hier lijkt de laatste optie het waarschijnlijkst omdat de betonnen palen mee zijn genomen.
’s Avonds eten we lekker bij een heel nieuw restaurantje: de stickertjes zitten nog op het servies en de broodmandjes. Blijkbaar is het echt typisch Oekraïens om snel bediend te worden. De salade stond al op ons te wachten en toen we gingen zitten werd de soep direct opgediend. En toen ik mijn soep nog niet eens helemaal op had begonnen ze al met het opdienen van het hoofdgerecht: stoofschotel met aardappel, groenten en paddenstoelen (vlees voor de anderen). Inclusief een toetje (mokka-notengebakje of gelatine met slagroom en gerookte pruimen) en thee/koffie staan we na een uur weer buiten. Daarna bespreken we nog even de tocht van de komende dagen, drinken nog wat thee en maken met de acht overgeblevenen een klein flesje wodka soldaat (wodka kost hier omgerekend nog geen twee euro per liter).
Jan heeft nog steeds last van zijn knie en blaren op zijn hielen. Om hem te ontlasten neemt hij samen met Steven een taxi die hem zo’n zes km van het startpunt brengt. Echter, omdat wij een stuk eerder weg zijn gegaan dan hun taxi en de taxi minder ver door wil rijden dan verwacht moeten ze nog drie km wandelen naar het afgesproken ontmoetingspunt en hebben wij daar een pauze van een uur die door diverse mensen gebruikt wordt om nog even een dutje te doen. Tot daar liep de route over een deels verharde weg langs velden en bosjes, boerderijtjes en een klein dorpje met coöperatiegebouw. Ik zie diverse (voor deze vakantie) nieuwe planten: een geelgroene hokjespeul, roze bloeiend stalkruid, kleverige salie met zijn gigantische lipbloemen, knautia, groot springzaad, wilde gladiooltjes die met hun helderroze staartjes net boven de rest van de veldbloemen uitsteken en de kranssalie met zijn trossen paarse bloemetjes die maar weinig buiten de paarse kelkjes uitsteken.
Nadat Steven en Jan zich bij ons hebben gevoegd nemen we een bosweg langs een beekje. Bij de volgende splitsing blijven we de beek volgen hetgeen niet zo simpel is omdat het herkenbare pad al snel verdwijnt. Gelukkig kunnen we wel makkelijk ons een pad banen tussen de sparrenbomen. Na een half uur of drie kwartier takjes breken en af en toe een zompiger stukje oversteken stuitten we op een bosweg die in de goede richting gaat. Na de late lunchpauze (rond kwart over twee) volgen we heel lang een karrenspoor over de helling van de Petros, een van de hoogste bergen van Oekraïne, door het naaldbos en vervolgens over de alp met verspreide boomgroepjes. Bij een beekje spot ik enkele exemplaren van ‘blauwe-ogen gras’(Sysiringium montanum) met zijn knalblauwe bloemetjes. We stijgen grotendeels geleidelijk en uiteindelijk met haarspelden naar de Petrospas. De Petros torent dan nog 500m boven ons uit. We hebben al diverse aardige maar een beetje kleine kampeerplekjes gezien, wie weet is het verderop nog beter. Over het karrenspoor lopen we verder langs de hoogtelijnen om de bultjes van de kam heen naar de volgende pas in de richting van de Hoverla (de hoogste berg van Oekraïne). Vlak voor die pas zijn een paar prachtige bronnetjes en net erna vinden we een redelijk kampeerveldje met pollerig hoog gras.
We dachten dat het weer een zonnige dag zou worden (net als gisteren) en staan daarom een half uur eerder op; maar het begint bewolkte en heiig. Marieke, Bas en Jan gaan water halen bij de bron aan de andere kant van de pas. Om acht uur zijn ze weer terug en worden de laatste zaken ingepakt. Wat ik nog steeds vreemd vind is dat allerlei mensen zelfs dit water hadexen. Ik heb dat vieze spul gelukkig deze vakantie weten te vermijden.
We vervolgen het karrenspoor tot we het Nationaal Park inlopen. Hier staan allemaal bordjes met aanwijzingen zoals “drinking water 10 min ->” en “camping 3/4h <-“ (ja, dus ook vertaald in het Engels). Camping betekent trouwens ‘veldje waar je je tent op mag zetten en waar een WC-achtig hokje staat waarvan wij niet hebben onderzocht of en hoe dat werkt’. Vanaf hier staan er ook bordjes langs het pad die aangeven hoe hoog je zit (en dus hoe ver het nog is naar de top van de Hoverla). Vlak voor de klim kunnen we nog even vroom zijn in een kapelletje voorzien van mooie bijbel en plat kruisbeeld buiten (een platte christus op een orthodox kruis (met schuine tweede dwarsbalk) want in de Orthodoxe kerk zijn alleen tweedimensionale afbeeldingen toegestaan).
De Hoverla lijkt steeds makkelijker om te beklimmen naarmate we dichterbij de top komen, terwijl ik dat voor de Petros juist omgekeerd ervoer. Vlak voor de klim naar de top vanaf de laatste pas zie ik pollen alpenklokjes, met hele lange kelkslippen. De klokjes lijken wat op baardig klokje, maar dan minder harig en dieper paars. Dit klokje blijkt de enige opvallend bloeiende plant op de Hoverla te zijn. Het staat overal tussen de stenen blokken als we naar boven klimmen. Bovenaangekomen hebben we in alle richtingen zicht op rijen blauwgrijze bergkammen met op de voorgrond de groene toppen van de kam die we aan het volgen zijn. Er is nog een andere groep op de top (zonder rugzakken). Zij vragen ons foto’s van hun groep te nemen. Daartoe krijgen we een stuk of negen camera’s aangereikt variërend van heel klein tot spiegelreflex groot. Ongeveer zes van onze groepsleden stellen zich op als fotograaf en vormen zo samen ook een grappig plaatje. In ruil hiervoor maken zij daarna foto’s van onze groep met vier van de vijf camera’s die wij bij ons hebben.
Op de top wordt ook gewerkt aan een bouwwerk/beeld. Hugo heeft na de vakantie uitgezocht dat er enkele dagen na ons bezoek op de top van de Hoverla een nationaal symbool is onthuld door de president van Oekraïne. Na de Hoverla nemen we nog enkele toppen van de kam van deze bergketen. Lastig daarbij is dat het hard is gaan waaien. We zijn blij dat we wat kruipdennen kunnen vinden om in de luwte daarvan te kunnen lunchen. In het zonnetje geven sommigen zich zelfs weer over aan een middagdutje.
Nog twee toppen verder kijken we in een kom met onze eindbestemming: een meertje met uitgebreide kampeermogelijkheden eromheen. We zakken ernaartoe over een helling waar nog recent sneeuw heeft gelegen gezien alle soldanella die er groeit en bloeit. We kruisen zelfs een piepklein sneeuwveldje. Om half drie arriveren we op de kampeerplaats en hebben we nog een paar uur voor het eten. Veel mensen uit onze groep nemen een duik in het meer; Bas houdt het op wat poedelen bij de bron.
In de loop van de middag gaat de wind liggen. Dat heeft als nadeel dat vliegjes, muggen en knutjes poolshoogte komen nemen en ons aangenaam gezelschap vinden. Ze wolken om ons heen. Om ze te ontlopen maak ik tussen half vijf en zes nog een ommetje langs wat winderiger plekken. Daarbij kom ik nog wat leuke planten tegen: bloeiende Alpenanemonen (waarvan ik de pluizebollen vruchthoofden al veel had zien staan); een klein soort kruiskruid met fijn verdeeld blad, een rommelig hoofdje en rode achterkanten van de gele lintbloemen; verstopt tussen het hoge gras mooie rooie bloempjes van longenkruid; witte waterkers die een mooi groen/wit veldje vormt langs de beek; eenarig wollegras; kartelblad en warmgele dotters.
Het avondeten is deze keer buitengewoon pittig (in ieder geval de vegetarische pan, in de volgende twee pannen is minder kruidenmengsel toegevoegd). Voor de tweede portie voeg ik wat uit de vleespan toe aan mijn vegetarisch hap. In die vorm is het wel lekker. Ondertussen is het flink druk geworden rond het meer, overal tussen de kruipdennen en jeneverstruiken staan tenten en her en der branden vuurtjes. Ook bij ons wordt vuurtje gestookt, maar het lukt deze keer niet zo goed, ondanks de blaasbalgcapaciteiten van Jeroen.
We zijn allemaal een beetje onuitgeslapen; deels omdat andere gezelschappen op het terrein later naar bed gingen dan wij maar vooral omdat het ongeveer twee uur lang heeft gedonderd, geregend en gewindvlaagd op een manier die Bas en ik nog niet eerder hadden meegemaakt, in ieder geval niet op zo’n relatief beschutte plek. Gelukkig is het net droog geworden als we opstaan. Omdat ik help met de afwas en Bas samen met Frans water gaat halen bij de bron zijn we deze keer ongeveer als laatsten van de groep ingepakt, maar het scheelt gelukkig niet veel.
We vertrekken in de mist. Na een korte klim terug naar het langs de kam lopende hoogtepad kunnen we heel comfortabel op hoogte blijven lopen, meestal net om de topjes heen. Langs het pad bloeit niet zo veel. Wel zie ik diverse planten terug die ik gisteren tijdens mijn middagommetje ook al had gezien. Nieuw zijn de crèmewitte bloemhoofdjes van een ui (Allium victorialis) die enkele honderden meters ons pad begeleiden. We missen de eerste mogelijke afslag naar links en besluiten maar door te lopen naar de volgende. Op die plek zoeken Frans en Steven naar het pad dat daar volgens de kaart zou moeten zijn, maar wat (in deze mist) niet vindbaar is. Dus gaan we voor de lange versie van de route: nog een paar kilometer verder op deze hoogte (1800 m) blijven en dan afbuigen en een paar topjes over en na een mooie rotspunt vrij steil afdalen over 1050 meter. We stappen stevig door met relatief korte pauzes en mijn knieën en voetzolen beginnen aan het eind zwaar te protesteren.
Zolang we op hoogte zijn lopen we praktisch continu in de wolkenmist. Daarbij regent het af en toe een beetje. Alleen tijdens de lunch hebben we even zicht op een prachtig groene vallei onder ons. Hier spot ik ook een mooie grote kikker. Bij de afdaling zakken we onder de wolkenlaag, dus hebben we meer uitzicht, maar het begint dan ook steeds systematischer te regenen. Als we de bewoonde wereld bereiken lopen we vrijwel direct tegen een café annex winkel aan. We zetten onze rugzakken tegen de achterkant van het gebouwtje en lopen dan wel strompelen naar binnen om te gaan zitten aan een van de vier tafels met banken in het lokaaltje. We bestellen thee en koffie en trekken onze natte jassen uit. Het drinken laat wat op zich wachten want vlak na ons arriveert de biervrachtwagen en die moet eerst geholpen worden met uitladen. Zowel de drie ‘oudjes’ die aan een buurtafel zitten als Aart helpen een handje. De dames, die we toch boven de zestig schatten, zijn duidelijk gewend aan fysiek werk, zonder zichtbare inspanning tillen ze kratten pils naar binnen. Daarna kwam de (oplos)koffie en thee, beide voorzien van een schep suiker: niet roeren, dan proef je er weinig van. Terwijl wij nog wat langer op de bankjes kunnen blijven zitten gaan Steven en Frans op zoek naar een overnachtingsplek. Ze slagen bij het buurhuis dat blijkt als pension te fungeren: drie kamers op de eerste verdieping van de woning, een kamer in het bijgebouw en nog een kamer in een hut wat hogerop de helling. We betalen hier weer ongeveer €5 p.p.p.n. We kunnen eten koken op de veranda en delen de douche en toilet met nog een paar pensiongasten dus het is best druk op de gang. Onhandig is dat het toilet een lamp mist, maar met wat ganglicht of een zaklamp lukt het wel.
Heerlijk geslapen. Ontbijt met brood en kaas uit het winkeltje. Daarna wandelen we in sneltreinvaart het dal uit. Rond half twaalf bereiken we het eind en dan hebben we er al zo’n 16 km op zitten. Het loopt heel makkelijk over een onverharde weg, licht helling af. Het dal begint nogal open, wordt daarna nauwer om aan het eind weer te verbreden. Naast ons loopt een beek die steeds breder wordt.
In dit dal passen ze de techniek van het met deuken versierde blik als gevelbekleding niet alleen toe op kerkgebouwen, maar ook op woonhuizen. In het brede stuk van het dal is de weg trouwens opvallend breed, misschien om ruimte te bieden aan bestuurders om de ergste kuilen te vermijden. In het dorpje dat we passeren (met typisch sovjet-stijl WOII monument) halen we nog even koffie en thee. Binnen staat een prachtige hetelucht-houtkachel die natuurlijk niet in gebruik is. Buiten kunnen we terecht in het ‘theehuisje’ waar op z’n Oekraïens afval van vorige gebruikers ligt.
Botanische bezienswaardigheden: veel (zwarte) toortsen, ruig klokje, kleverige salie (nu mooi in bloei), reuzenpaardenstaart en op een grindbed in de beek een tamarisk: twee meter hoge bossige planten met smalle blaadjes en lichtroze vijftallige bloempjes in staarten aan het eind van de takken.
Als we doorlopen horen en zien we plotseling een witte helikopter. Hij vliegt een rondje en landt dan vlakbij, maar buiten ons zicht. We zien gelijk allerlei kinderen uit de buurt richting landingsplaats rennen, net als vroeger als bij ons de brandweerwagen uitreed. De heli blijft maar kort aan de grond en vliegt dan weer op. Een half uur later passeren we een flink veld waarop we deze heli en een camouflage exemplaar zien staan met veel publiek eromheen. Voor onze ogen stijgt onder oorverdovend geluid de camouflageversie op.
We zijn hier ook bij de T-kruising met een grotere weg en het blijkt dat de bus naar Ivano-Frankivsk hier ook een halte heeft. De bus blijkt ongeveer een uur later te gaan, hetgeen ons mooi de gelegenheid geeft om te lunchen. We hopen met deze bus en dan nog de trein vandaag nog L’viv te bereiken, dan hebben we een extra dag om L’viv te bekijken. Als de bus aankomt blijkt hij al aardig vol te zitten, er zijn maar drie of vier zitplaatsen beschikbaar. Maar, gelukkig mogen we onze rugzakken in het gangpad stapelen en wordt de bus bij volgende haltes gemiddeld steeds leger. Na ongeveer een uur kan iedereen zitten, dan hebben we nog zo’n twee uur voor de boeg. Langzaam rijden we de bergen uit. In Ivano-F. proberen we treinkaartjes te bemachtigen. Voor vier van de zes loketten staan lange rijen die niet snel opschuiven dus ik ga maar vast in zo’n rij staan. Ondertussen proberen enkele anderen uit te vinden wanneer er een trein naar L’viv gaat (rond zeven uur) en bij welk loket je daarvoor kaartjes kunt krijgen (bij een van de twee loketten met korte rijen want de lange rijen zijn voor internationale tickets). Er blijken echter niet voldoende zitplaatsen beschikbaar te zijn en blijkbaar kennen ze in de trein geen staanplaatsen.
Volgende optie: buskaartjes en dat lukt wel. Om acht uur gaat er een bus die ons in drie uur naar L’viv zal brengen. Voor die tijd eten we wat in het enige restaurant dat we kunnen vinden: een pizzeria aan de rand van het marktplein met het (voormalige) gemeentehuis in het midden. Omdat we nu vooraf buskaartjes hebben gekocht kunnen we de hele reis zitten. Om elf uur ’s avonds komen we in L’viv aan bij het centraal station. De tram die we hadden kunnen hebben is dan net weg en pas over drie kwartier gaat de volgende. Omdat het ruim een half uur lopen is naar het hostel gaan we daar niet op wachten. Bij het hostel blijkt dat de reservering voor de volgende twee nachten niet in orde is. Zij beweren dat wij niet hebben aanbetaald en doen verder ook lastig. Gelukkig hebben ze deze nacht genoeg slaapplaatsen verdeeld over enkele slaapzalen. De volgende nacht kunnen we allemaal samen op één slaapzaal waarbij het veertiende bed nog door een ‘vreemde’ wordt gebruikt waar we verder geen last van hebben (hij eerder van ons). Het is dus ruim na twaalf uur voor we in ons bed liggen. Daarbij hebben we ook nog veel lol om de rare badkamer en toiletruimte die zijn ingebouwd in onze slaapzaal: alle wanden van dit sanitair zijn van helder glas. De volgende ochtend merken we dat dat voor de doucheruimte niet zo’n probleem is, de ramen beslaan rap. Maar, rustig op het toilet zitten doen we toch bijna allemaal liever op het toilet op de gang.
Het grootste gedeelte van de groep ontbijt, op aanraden van Steven, bij het Weense koffiehuis. Ik geniet inderdaad van de heerlijke aardappelflensjes met zure room en de pot thee erbij. Daarna gaan we in groepjes ons weegs. Samen met Bas koop ik eerst bij een boekhandel een gidsje over L’viv. Dat is niet zo makkelijk als het lijkt want er is een rijtje met boekhandels die bij elkaar lijken te horen maar bij nadere beschouwing overlappende assortimenten hebben. Maar daar kom je niet zo makkelijk achter want je kan niet zelf boeken uit de kast pakken. Maar, als je niet weet hoe het heet of waar het zou moeten staan is het moeilijk om ernaar te vragen. Maar, ik zie gelukkig ergens een stapeltje ‘L’viv guidebook liggen en kan daarnaar wijzen. Daarna lopen we een rondje door het centrum en bekijken de kathedraal van de jezuïeten, toegangsprijs: twee hryvnia. Om half één moeten we nog even naar het hostel om onze bagage naar de nieuwe slaapzaal te brengen.
Voordat we ’s middags twee locaties van de L’viv art gallery bezoeken kopen we als lunch wat luxe broodjes en water in een van de vele winkeltjes die ‘produkti’ verkopen. We eten ze op in het parkje tegenover de L’viv art gallery. In het eerste gebouw van de L’viv art gallery zien we voornamelijk Poolse en Oekraiens/Russische kunst met een duidelijke nadruk op de negentiende eeuw. Hier viel vooral op dat ze de kunststromingen uit West Europa goed gevolgd hebben. Opvallend anders was Jacek Malczewski (1854-1929) die op een heel eigen manier zichzelf als sater en Jezus portretteert. Andere kunst die mij opviel zijn “World of cat” van Eugenkschenko, een soort legpuzzel waarin je steeds weer nieuwe beesten en planten ontdekt; “Dovbush is greeted in Hutculland” van Grygory Smolsky wegens zijn folkloristisch vrolijkheid, “Biddende Somaliërs in de woestijn” van Ajdukiewicz en twee impressionistisch symbolische schilderijen “Bachante” en “Lente” van Pruszkowski uit 1885.
Het tweede deel van de L’viv art gallery is gevestigd in het prachtige Potocki’s palace, met stijlkamers op de begane vloer en op de eerste verdieping een doorsnee van Europese kunst (een zaal Frankrijk, een zaal Spanje, een zaal Nederland/Vlaanderen etc.) maar dan zonder echte topstukken. Ik ben te veel verwend door bezoeken aan andere musea om hier erg door geboeid te zijn. We lopen er dan ook snel doorheen.
Na de musea lopen we nog wat rond, onder andere over de overdekte groenten/vleesmarkt met daaromheen bazar-winkeltjes met kleren, grafbloemen, linnengoed etc. Ook werpen we een blik op het stukje oude stadsmuur, de Dominicaanse kathedraal en het centrale plein “Rynok” met in het midden het stadhuis. Het officiële toeristenbureau dat op onze stadsplattegrond staat is alleen maar kantoor en de andere locatie daarvan is deze middag dicht. Maar tijdens ons middagommetje lopen we tegen een ‘alternatieve toeristeninfo’ aan waar de eigenaar zowel Engels als Duits spreekt en diverse buitenlandse gidsen/fotoboeken over de stad heeft staan. Ik schaf me in aanvulling op het gidsje van vanochtend een fotoboek aan dat wat meer van het straatbeeld laat zien.
’s Avonds eten we gezamenlijk in een restaurant vlak bij de oude muur. We komen erachter dat het niet handig is om met dertien mensen onaangekondigd een maaltijd te bestellen. Ze hebben heel veel moeite om onze bestellingen uit te voeren en terwijl sommige mensen hun hoofdgerecht al op tafel hebben, hebben anderen nog geen voorgerecht gezien. Wat ze serveren is trouwens prima. Waarschijnlijk is de keuken gewoon te klein om veel dingen tegelijk klaar te kunnen maken en dan zeker als we verschillende dingen bestellen.
Bas en ik besluiten weer bij het Weens Koffiehuis te ontbijten, deze keer met aardappel- en zoete pannenkoekjes. Daarna slenteren we wat door de ‘bazar’ en markt net ten noorden van de Opera. We zijn een beetje op zoek naar een aardigheidje voor Steven, maar weten nog helemaal niet wat. We kopen wat noten en gedroogd fruit bij een kraampje.
Daarna gaan we op zoek naar Russisch orthodoxe kerken. We wandelen naar het noorden en bezoeken zowel de St. Nicholas, waar we een bidprentje kopen, als de kerk van Paraskevia Piatnytsia. Die tweede heeft een zeer indrukwekkende ikonostasis met een hele reeks apostelen allemaal manshoog afgebeeld, daarboven en daaronder zijn reeksen andere afbeeldingen en ook de deuren in de ikonostasis zijn voorzien van manshoge portretten, allemaal prachtig op elkaar afgestemd. De details kan ik echter beter in mijn gids zien dan in het echt omdat de belichting mager is (mogelijk ook door het regenachtige weer).
We lopen daarna terug naar de stad en kopen bij de markt wat appelbroodjes als tussendoortje en om morgen mee te nemen. Daarna bezoeken we het museum van religie en atheïsme. Hoewel er ook wat aandacht is voor pre-christelijke geloof, is het museum vooral een verzameling christelijke kunst en parafernalia zoals kleding van bisschoppen, reliekhouders etc. Er zitten prachtige stukken tussen. Daarna doen we nog wat meer inkopen voor in de trein zoals sap, meer broodjes, vijf liter water, chocola etc. En op de toeristenmarkt met traditionele (en minder traditionele, industriële) spullen, koop ik drie gebatikte uitgeblazen eieren. We moeten ondertussen ook nog wat voor Steven kopen. Ik besluit uiteindelijk een mooie ruim een meter lange tak met kunstrozen te kopen, geschikt als attribuut voor een reisleider. Als we daarmee de overdekte markt verlaten wordt er veel naar me gekeken en zelfs opmerkingen gemaakt die ik natuurlijk niet kan verstaan. Zou deze bloem een speciale betekenis hebben?
Ik wilde eigenlijk ook nog naar het folkloristisch museum, maar daar hebben we uiteindelijk geen tijd meer voor. Wel koop ik in het winkeltje van dat museum een mapje met een heleboel foto’s van beschilderde eieren, gesorteerd per regio. De andere musea hebben trouwens helemaal niets wat betreft gidsjes of ansichtkaarten. ’s Avonds eten we in een restaurant in een kelder aan de Rynok. Hugo had daar overdag al een menu uitgezocht, dus we worden nu keurig vrijwel gelijktijdig bediend. De vegetarische komkommersoep doet me aan mijn recept voor Bulgaarse yoghurtsoep denken, maar heeft misschien wel iets te veel dille gezien. Verder is het eten prima.
Het is een korte nacht want om zes uur gaan we op weg naar het station om de trein van zeven uur te halen. We zien het Oekraïense landschap aan ons voorbij trekken. Bij de grens wordt het spannend hoe dat zal verlopen. Eerst stoppen we bij de douanepost in Oekraïne. Een beambte neemt alle paspoorten van de treinwagon in en laat die in een kantoor stempelen. Daarna krijgen we ze weer terug. Ondertussen verschijnen er ook mannen en een hond in de trein en wordt de onderkant van de trein bekeken met spiegeltjes en worden nog diverse andere controles uitgevoerd. Er stappen ook nog allerlei passagiers de trein in met grote tassen en koffers: typisch smokkelaars. We horen ze daarna ook druk bezig met plakband en iemand ziet hoe ze gordels van pakjes sigaretten maken die ze onder hun truitjes verbergen. Ook schijnt er iemand sigaretten te verstoppen achter panelen van de trein. Ondertussen duurt het oponthoud een stuk langer dan volgens de dienstregeling. Dat betekent dat we onze aansluiting in Przemysl niet gaan halen.
Als we eindelijk Polen inrijden zie ik nog een staaltje smokkelgedrag: door de struiken rent een beetje gebukt een man in de richting van de trein. Vervolgens zie ik met een grote boog een turkentas de trein uitgegooid worden en de man met buit weer wegrennen. Aangekomen in Przemysl worden de treinpassagiers mondjesmaat naar de douane gestuurd, degenen die er als toerist uitzien weliswaar eerst, maar dan te beginnen vanaf het andere eind van de trein. Als Frans eens poolshoogte gaat nemen bij de militair op het perron krijgt hij een seintje dat hij door mag. Hij komt ons dus halen. Na de paspoortcontrole gaat de bagage door een röntgenscanner en Marieke is de enige die haar bagage open moet maken. Wel zijn ze geprepareerd op meer bagagedoorzoekingen gezien het aantal personen dat daarvoor klaar zit achter een uitpaktafel.
In het station moeten we nu nieuwe reserveringen zien te regelen voor treinen richting huis. Dat lukt gelukkig heel goed. We kunnen nu mee met de trein naar Krakow en dan vanaf Krakow de nachttrein naar Berlijn. Er zijn nog gewoon 13 couchettes beschikbaar waarvan er zelfs zes in één coupé. De trein naar Krakow vertrekt met anderhalf uur vertraging (er moeten namelijk wagons aangekoppeld worden van de vertraagde trein waar wij net inzaten), maar daarvan haalt hij een half uur weer in tijdens de rit. Voordeel van dit arrangement is dat we nu enkele uren hebben om Krakow te bezoeken en daar een hapje te eten.
Krakow is wat betreft toerisme een enorm contrast met L’viv. Het is vol met toeristen, de verkopers spreken allemaal wel een paar woorden Engels, er zijn toeristische routes en er staan borden met toeristische informatie, alle gebouwen in de oude binnenstad zijn picobello opgeknapt, er zijn straatmuzikanten en straattheater en de winkels ogen veel westerser. We lopen door het centrum en maken een rondje over de burcht. Daarna splitsen we in groepjes en zoekt iedereen wat te eten en kijkt nog wat rond. Marieke, Bas en ik eten op een bankje falafel en calzone. Toe halen we een heerlijk ijsje. We lopen nog even over de markt, kopen wat gebrande gesuikerde nootjes en dan langs een paar andere straatjes terug naar het station.
In de nachttrein zitten/hangen we een tijdje met z’n allen in/rond één coupé. Hierbij wordt ook redelijk wat wodka gedronken en het niveau van de gesprekken daalt navenant. Rond tien uur houdt de helft van de groep het voor gezien en gaat slapen in een van de andere coupés waar we couchettes hebben. De overige zeven houden het langer vol totdat het te melig wordt en er André Hazes liedjes gezongen worden en de buren gaan klagen. Ik slaap heerlijk. Het zal wel een combinatie zijn van slaaptekort van de vorige nacht en het comfortabele nieuwe slaaprijtuig waar we in liggen.
In Berlijn verplaatsen we ons met de metro naar het Haubtbahnhof. Daar hebben we een half uur om nog wat eten en/of leesvoer te kopen. Wel drie mensen komen op het idee om een Volkskrant te kopen, alleen Maarten kocht een Telegraaf (want de Volkskrant ligt al thuis). De reis verloopt verder zoals gepland en in Deventer, Amersfoort, Utrecht en Rotterdam nemen we stap voor stap afscheid van onze groepsgenoten. Rond vier uur zijn we weer thuis.